Persbericht
Ernstige leverfalen: met een transplantatie is er een reële kans op overleving

Brussel, 2 oktober 2026 – Voor het eerst vergelijkteen grootschalig internationaal prospectief onderzoek, gepubliceerd in het Journal of Hepatology, rechtstreeks de uitkomsten van patiënten met ernstig leverfalen (Acute-on-Chronic Liver Failure – ACLF), al dan niet na een levertransplantatie.
Een aanzienlijk verschil in overleving na transplantatie
Het CHANCE-cohort omvat meer dan 1.000 patiënten die werden behandeld in 63 centra verspreid over Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika en Azië. De resultaten van het onderzoek laten een opvallend verschil zien tussen patiënten die een transplantatie hebben ondergaan en patiënten die geen transplantatie konden ondergaan. Bij patiënten die voor een transplantatie werden afgewezen, bedroeg het sterftecijfer na één jaar 73 % bij ACLF-2 en 88 % bij ACLF-3 (ernstig stadium). Bij patiënten met een vergelijkbare ernst van de aandoening die wel een levertransplantatie hadden ondergaan, bedroeg dit sterftecijfer respectievelijk 10,5% en 20,7%. Deze resultaten tonen aan dat, zelfs bij patiënten met zeer vergevorderde cirrose, die meerdere orgaanfalen vertonen en mogelijk vervangende behandelingen of levensondersteuning nodig hebben, transplantatie een reëel vooruitzicht op langetermijnoverleving kan bieden.
"Uit de gegevens van CHANCE blijkt dat de ernst van ACLF op zichzelf geen reden mag zijn om transplantatie als zinloos te beschouwen. Voor een grote meerderheid van deze patiënten kan een transplantatie, wanneer deze onder de juiste omstandigheden en op het juiste moment kan worden uitgevoerd, een uiterst sombere prognose omzetten in een reële overlevingskans”, legt prof. Thierry Gustot uit , directeur van de afdeling Transplantatie van het H.U.B en hoofdonderzoeker van de CHANCE-studie.
Een nieuwe kijk op transplantatie bij ernstige ACLF
Tot nu toe was de kennis over transplantatie bij patiënten met ernstige ACLF voornamelijk gebaseerd op studies waarin gegevens werden geanalyseerd die waren verzameld in een beperkt aantal centra, soms binnen één enkel ziekenhuis of één enkele regio. Dit onderzoek leverde waardevolle informatie op, maar had betrekking op relatief kleine patiëntengroepen die waren geselecteerd in specifieke contexten, wat de reikwijdte van de resultaten kon beperken. De CHANCE-studie biedt een nieuw perspectief dankzij het prospectieve, internationale en multicentrische karakter ervan. De studie wijst echter op een belangrijke beperking: bij patiënten met vijf of zes orgaanfalen blijven de resultaten na transplantatie aanzienlijk minder gunstig. Deze gegevens pleiten dan ook voor een bijzonder zorgvuldige selectie van patiënten in deze extreme situatie. De uitdaging bestaat er dus in om onder de ernstigst getroffen patiënten beter te onderscheiden wie nog aanzienlijk baat kan hebben bij een transplantatie en voor wie het risico op mislukking te groot blijft.
Een internationale infrastructuur om het onderzoek voort te zetten
De ambitie van de CHANCE-studie reikt verder dan de resultaten van deze eerste publicatie. De studie is zowel gebaseerd op een gedetailleerde follow-up van het verloop bij de patiënten als op een biobank met monsters die tijdens hun behandeling zijn afgenomen: bloed, plasma, urine en DNA. Deze infrastructuur, die is opgezet in de 63 deelnemende centra over de hele wereld, en dit dankzij de steun van de European Foundation for Chronic Liver Failure (EF-Clif), vormt een unieke wetenschappelijke bron om de mechanismen van ACLF beter te begrijpen, de factoren te identificeren die verband houden met de respons op de transplantatie en, op termijn, de selectie en behandeling van patiënten te verbeteren.
„CHANCE is niet alleen een klinische studie. We hebben een internationaal cohort en een biobank opgebouwd waarmee we de komende jaren nieuwe vraagstukken kunnen onderzoeken: waarom herstellen sommige patiënten na een transplantatie, terwijl anderen een ongunstig verloop vertonen? Welke markers zouden ons kunnen helpen bij een betere selectie van kandidaten? En hoe kunnen we eerder ingrijpen? “, benadrukt prof. Gustot.
Wetenschappelijke referentie
